Mijn ouders leefden heel bewust. Biologisch eten. Leren schoenen. Alles moest lang meegaan. En het grappige is… uiteindelijk ben ik precies hetzelfde gaan doen. Mijn ouders keken er vooral naar vanuit duurzaamheid. Sommige mensen worden punk om zich af te zetten tegen hun ouders. Ik werd snob. Ik werd verliefd op kwaliteit. Waar je ziet dat iemand er ontzettend veel liefde en aandacht in heeft gestopt. Een tafel die generaties meegaat. Een gerecht met de juiste ingrediënten. Een mooie wijn. Dat heeft me altijd gefascineerd.
Misschien ben ik daarom ook zo’n akelige perfectionist. Vooral voor mezelf. Waarom zou je voor een zes gaan als je ook voor een tien kunt gaan? Waar dat vandaan komt? Geen idee. Maar ik vergelijk alles met het allerbeste. Dat is compleet niet nodig. Maar toch. Misschien is dat ook wel een valkuil. En tegelijkertijd ook een geluk. Ik ben eigenlijk nooit tevreden. Het is een eeuwige onzekerheid. Maar daardoor blijf ik mezelf wel steeds uitdagen. En wordt het hopelijk ook steeds beter.
Ik hou gewoon heel erg van niets iets maken. Dat vind ik misschien wel het allerleukste wat er is. Een boek. Een gerecht. Een televisieprogramma. Voor mij is dat eigenlijk allemaal theater. Je maakt iets… omdat je hoopt dat iemand er iets bij voelt. Koken voor mensen is ook theater. Eigenlijk is het ook gewoon vragen om applaus. Dat is denk ik de rode draad in alles wat ik doe.
En misschien zie je dat ook wel terug in hoe ik me kleed. Kleding zegt alles over iemand. Ik hou niet van dingen die om aandacht schreeuwen. Ik hou juist van dingen waar je de aandacht in ziet. Als je een mooie stof aanhebt, dan voel je dat gewoon. En als ik echt de tijd heb om me mooi aan te kleden… dan geniet ik daar misschien nog wel net zoveel van als van de plek waar ik naartoe ga. Misschien is dat uiteindelijk wat kwaliteit met je doet. Dan ben je eigenlijk een beetje verziekt. Je gaat het herkennen. Je gaat het waarderen. Want op een gegeven moment…kun je eigenlijk niet meer terug.


